Er was eens…

Een Tibetaanse jongen, Tenzin, die op een dag het spoor van een hertje volgde. Het viel hem op dat de afdrukken van de poten diep waren weggezonken in de grond, terwijl een hertje zich heel licht over de aarde beweegt. Eindelijk vond hij het jonge, mooie dier. Het lag op de grond en huilde. Er zat een jagerspijl in zijn flank. ‘Wat moet ik doen?´ vroeg Tenzin zich af. Hij tilde het hertje voorzichtig op en droeg het naar huis waar hij het op zachte dekens legde. Hij noemde het hertje Jampa en viel die nacht in slaap met Jampa in zijn armen. Hij droomde van een beekje. De volgde dag droeg hij Jampa naar een beekje zoals hij gedroomd had. Het heldere water spoelde de wond schoon en weekte de pijl los. Jampa keek dankbaar naar Tenzin op maar was nog erg zwak. Die nacht droomde Tenzin van een bijzondere plant. De volgde dag droeg hij Jampa de bergen in. Hij vond de prachtige plant, zette thee van de bladeren en goot de druppels in de wond. De dagen gingen voorbij. Elke dag verzorgde Tenzin Jampa met de bladeren van de plant. Hij hield zielsveel van het hertje.
Op een nacht lag hij met Jampa in zijn armen onder de sterrenhemel. Hij droomde dat Jampa hem vroeg hem te laten gaan. Tenzin schrok wakker en de tranen biggelden over zijn wangen. Hij wilde Jampa niet kwijt en aaide de het hertje de hele nacht. Aan het eind van de nacht voelde Tenzin dat het goed was om het hertje los te laten. Toen Jampa in het ochtendgloren langzaam zijn ogen opende, fluisterde Tenzin: ´Ga, lieve Jampa, ik mag je niet hier houden met mijn liefde. Je vrijheid is mijn afscheidsgeschenk.’ Zodra Tenzin zijn laatste woorden had gesproken, sprong het hertje op en rende weg. Nog elke dag wensen Tenzin en Jampa elkaar veel liefs toe.

No comments yet.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.